Ga naar content

Noordoost-Siberië en Wrangel

Als verwende ijsbeer-fotograaf droom je ervan ooit nog eens een keertje naar de “kraamkamer ”van de ijsbeer te mogen gaan: dat onbereikbare, mythische eiland Wrangel, door de eeuwen heen de droomwens van bijna alle oostelijke poolontdekkers.

Van Kamtsjatka naar Tsjoekotka en Wrangel

Dus na lang zoeken, soebatten en smeken mochten Jeannette en ik een paar jaar terug, ik denk dat het 2007 was, een keertje mee om in de voetsporen van die oude oostelijke poolontdekkers te treden: vanuit Kamtsjatka, langs de pijnlijk mooie kusten van Stalin’s Goelach, naar dat verlaten eiland Wrangel, in het verre oosten van de noordelijke IJszee. 

Natuurreis naar Wrangel

Beroofd in Rusland

De start van deze reis begint al goed; bij het overstappen op het vliegveld van Moskou liggen er plots twee vechtende wijven op de vloer in de hal met veel kabaal te kronkelen en verhinderen daarmee het doorlopen naar de volgende gate. En dat terwijl er twee agenten geamuseerd staan toe te kijken. Niemand, maar dan ook niemand heeft enig vermoeden van de werkelijkheid: van een aantal van de wachtenden worden de zakken vakkundig gerold en ook die van Jeannette; haar portemonnee met al ons cash geld, tickets en creditcards blijken bij de eerste de beste koffiestop verdwenen. Gelukkig hebben we mijn creditcard nog, maar het opnieuw aanvragen van de gesponsorde tickets kost zoveel tijd, dat we ons vliegtuig naar het oosten missen. Vervolgens vraagt ook een niet al te bonafide taxichauffeur een godsvermogen om ons - te laat - op het vlakbij gelegen andere vliegveld af te zetten. Overnachten dus en de volgende ochtend maar opnieuw proberen een vlucht naar het verre oosten te krijgen. Dat lukt gelukkig.

Reis naar Siberië

We vliegen urenlang tegen de tijd in, over het ongenaakbaar landschap van Siberië en landen laat in de middag eindelijk op de luchthaven van Petropavlosk, waar onze gids ons gelukkig wederom staat op te wachten, alle vertragingen ten spijt.

Gletsjers, dieren en zalm!

Aangekomen in ons hotelletje, mogen we heerlijk zalm eten en daarna slapen als rozen. De volgende ochtend vroeg uit de veren, een heerlijk zalm-ontbijt en dan met de gids naar de vulkanen. Prachtig weer en een schitterende dag tussen vulkanen met smeltende gletsjers en talloze dieren, van hondsbrutale eekhoorntjes tot verstarde hertjes. Tussen de middag een heerlijk lunchpakket - met zalm vanzelfsprekend - en 's avonds krijgen we weer een kostelijke zalmmaaltijd voorgeschoteld. Toeval denken we, al die zalm, maar het smaakt geweldig! 

© Wim van Passel

De volgende ochtend vroeg uit de veren; al in Nederland hadden we via via begrepen dat, als ik 1000 dollar cash aan een hoge generaal zou geven, hij ons met een legerhelikopter naar een onbereikbaar berengebied zou laten vliegen, midden tussen vulkanen en geisers. Zo gezegd zo gedaan; de een beetje Engels pratende taxichauffeur brengt ons naar het militaire vliegveld en we worden daar inderdaad direct tot het kantoor van Generaal Kuttekopskie toegelaten. Daar overhandig ik hem mijn envelopje met de duizend dollar en zonder openen of natellen steekt hij dat bedrag in de binnenzak van zijn rijk gedecoreerde officiersjasje vol streepjes garen-kleur-monstertjes uit de lokale naaiwinkel. Meteen snap ik ook waarom Russische officieren altijd zulke extreem grote petten dragen: daar past immers veel meer onder.

Kraters en smeltpatronen

Maar vooruit: hij laat hij ons door zijn adjudant naar een klaar staande leger heli brengen en we stijgen binnen een paar minuten op. Er volgt een oogverblindende tocht over een zo mogelijk nog oogverblindender landschap. Onder ons passeren gigantische kraters, al dan niet rokend of vol bijtend zuur kokend loog of vlammende gasexplosies, schitterende gletsjers en gigantische smeltpatronen in het landschap. Uiteindelijk landt de heli in de middle of nowhere en na het stilzetten van de machine is de stilte oorverdovend; niets, maar dan ook niets maakt enig geluid. De grond is vol felgekleurde mossen, gigantische bloementuinen, smeltwaterbeekjes die niet weten dat rechtdoor de kortste weg is en dat alles op een prachtige vloerbedekking van sediment in allerlei fantastische kleuren.

Maar in heinde en verre geen beer te bekennen ! Hoe we ook zoeken, hoe ver we ons ook van de veilige machine verwijderen, niks beertjes. We zoeken uren aan een stuk, maar zonder enig resultaat en je kunt je voorstellen dat ik het niet kan nalaten de piloot medeverantwoordelijk te houden voor m’n weggemikte 1000 USD.

Hoewel die piloot nauwelijks Engels spreekt, begrijpt hij m’n onvrede. Al direct na het opstijgen voor de terugtocht merken Jeannette & ik dat we een totaal andere vliegroute nemen. Dit keer lijken de “hogere vulkaanjongens’ aan de beurt en we vliegen van supervulkaan naar supervulkaan. Er liggen er hier zo’n 130 van die vuurspuwers en ik maak mezelf wijs dat we ze allemaal te zien krijgen. Wederom onvoorstelbaar mooie uitzichten en ik betreur het enorm dat ik door het glas van de cockpit heen moet werken om schitterende luchtopnamen te maken.

En dan gebeurt het onverwachte: we minderen vaart boven een gigantische krater waar recent een verfwinkel al haar blikken kleur langs de wanden leeg heeft laten lopen. 

En geloof het of niet; langzaam laat de piloot onze machine langs de steile binnenwand zakken, totdat we zo’n halve meter boven de bodem blijven hangen en de piloot aan zijn “co” vraagt of hij die bodem even op landingsrechten wil controleren. De Co stapt uit, blijft voor alle zekerheid met één voet op het landingsgestel steunen en controleert met de andere voet de stabiliteit van de ondergrond. Goedgekeurd! Althans, tijdelijk.

In zijn bouwvakkers-Engels maakt de piloot ons duidelijk dat we tien minuten krijgen om opnames te maken. Zouden we langer blijven, dan zullen we binnen een half uur een gewisse dood vinden door de giftige dampen. We stappen uit en geloven onze ogen niet; overal rond om ons heen felgekleurde gas en gif spuitende gaten in de zachte bodem. Honderden, duizenden. De een nog mooier gekleurd dan de ander. Een landschap vol bergjes van geklonterd, verkruimeld cakedeeg, de een nog heter dan de ander. Na een paar minuten rondstappen voel ik dat m’n steunzolen al aan het smelten zijn, maar de verleiding is te groot om verstandig te zijn.

We blijven rondstruinen tot we naar binnen worden gecommandeerd en eenmaal terug in de heli zijn we ons nauwelijks bewust van hetgeen we mee hebben mogen maken. Ik zie alleen maar kleur in m’n hoofd en ben te opgefokt om nog iets van de verdere terugweg te zien. Jammer van de beren, maar dit was ongelooflijk.

Pas veel later zal de roekeloosheid van deze happening in volle heftigheid tot me doordringen, maar de tijd gaat gewoon door. Na een heerlijke zalmmaaltijd duiken we in ons koude nest en na een fantastisch zalmontbijt, de volgende ochtend, brengt onze taxichauffeur ons naar de haven van Petropavlovsk, waar aan de kade onze ijsbreker wacht. Het blijkt een zusterschip van Oceanwide’s Molchanov te zijn en we krijgen ons “vertrouwde” hutje.

Nauwelijks aan boord maken we contact met Leo, een Duitse arts die z’n buik vol had van de grote boze wereld en zich verstopt houdt in een huisje op de Schotse Hebriden. Hij zal ons als medicus en gids begeleiden. Het zal een vriendschap voor het leven worden. Een paar uur later verlaten we de bewoonde wereld en golven langs een kust vol prachtige, verstilde, en door ondergaand zonlicht omlijste silhouetten van gigantische, al dan niet rokende vulkanen. Als je dit beeld tot je door laat dringen sta je verwonderd te kijken dat er in dit landschap ooit plaats is gemaakt voor een soort levende wezens die mensheid heet.

We hebben onze vertrouwde, redelijk ruime hut aan bakboordzijde, met een patrijspoort met uitzicht op de onbegrijpelijke weidsheid. Eerst maar eens lekker maffen. Na een vroeg ontbijt, met heerlijke verse sinaasappels en versgebakken, nog warme broodjes met zalm, gaan we maar eens het dek op, naar buiten kijken. We varen langs een totaal verlaten kust. De vulkanen zijn 's nachts verdwenen. Het landschap lijkt leeg en vlak. Aan stuurboord het begint zich de trechter van de Beringstraat. Ergens, ver weg in het oosten, zal de kust van Alaska liggen.

© Wim van Passel

Vlak voor de lunch varen we een brede rivier op, waar een eindje landinwaarts bebouwing zichtbaar wordt. Het blijkt een visfabriek te zijn, die we gaan bezoeken voor de lunch. Pas hier dringt het tot me door dat we al die dagen niet alleen “zalm” hebben gegeten, maar waarlijk de allerallerlekkerste zalm van de hele wereld. Hier staat een collectie lokale bevolking van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zalm schoon te maken. Maar vraag me niet hoe en waar ze wonen.

Na de maaltijd varen we de rivier verder op en maken een paar landingen op verschillende modderbanken vol verse berenpoot-afdrukken. Maar in heide en verte geen beertje te zien. Wel duizenden dode vissen op de oevers, al dan niet aangevreten door wat voor wild dan ook, want de lucht zweeft vol met hondsbrutale visarenden, die bij tijd en wijle het verschil tussen een mensenkop en een vis niet kunnen ontdekken. Ook onderling vechten ze hier op leven en dood, terwijl er op de oevers voedsel in overvloed ligt. Je hoeft niet alles te snappen van moeder natuur. Frequent zakken we tot nét onder onze knieën in de zuivere modder en het is dan ook, terug aan boord, een hele klus om onze poten weer schoon te krijgen.

Komandorski-eilanden

Als we de volgende ochtend weer uit de patrijspoort kijken ligt het eerste eiland van de Aleoeten aan bakboord op ons te wachten: Komandorski. Hier zijn we dus bij de “eilanden van de vorige dag”; de tijdsgrens. Hier is het vandaag vandaag en op het volgende eilandje, iets verder naar het oosten, is het dus alweer “gisteren”. Tussen ons en de kust dansen een aantal orka’s op de waterlinie. Doodmoe gaan we slapen.

De volgende ochtend weer vroeg uit de veren. Met Leo en z’n zodiac naar de kust. De naam van het erg arme dorpje ben ik vergeten, maar alleen het kijken doet de pijn van de eenzaamheid herkennen. Er wonen hier en daar nog een paar hardnekkige “niet-vertrekkers”, in totaal vervallen flatgebouwen rondom een verweerd Lenin beeld, dat ooit de onverzettelijkheid van de vooruitgang zou moeten hebben gesymboliseerd. Maar dat is duidelijk verleden tijd.

Op een stuk steen ligt een nog glanzende naaldhakschoen. Ietsje verder hangt een verroeste motorfiets schuin tegen het gebladerde stucwerk van een verder te vervallen flatgebouw. Uit een gebladderd raam kijkt een verveeld gezicht ons aan met een gezicht van: wat komen jullie hier doen? Hoe kunnen hier nog mensen leven, een toekomst proberen op te bouwen, in liefde geloven en een kind op de wereld te zetten? Volharding in het geloof in het Communisme? Wie weet.

Terug aan boord varen we verder het eiland rond, om uiteindelijk terug te keren naar de kusten van de Goelag, genoemd naar de voormalige overheidsdienst, het verantwoordelijke directoraat voor opvoedingswerkkampen. waar ons een totaal nieuw bewustzijn wacht. Want wie dacht dat Siberië hierdoor lelijk en onaantrekkelijk zou zijn, vergist zich behoorlijk.

Hier ligt een ongerepte uitgestrektheid van het allermooiste niveau. Je hoeft maar even de kust op te klauteren en je ziet bloemenvelden, afgewisseld met prachtige frisse berkenbosjes. Daartussen kronkelen kleine beekjes met kristalhelder water. Waarom Siberië zo’n negatief “imago” heeft, hebben we ook aan Meneer Stalin te danken, maar wat zouden bijv. oorlogsvluchtelingen blij zijn als ze hier een mooi stuk grond kregen, voldoende bouwmateriaal om een leuk huisje te bouwen en een paar kruiwagens zaad om in hun levensbehoefte te voorzien.

© Wim van Passel

Hier is ruimte in overvloed voor hun eigen, vertrouwde manier van leven, denken en religie. Hier zou elk jong stel hun eigen nieuwe leven op kunnen bouwen zonder beperkt te worden door de dwangmatigheid van andere culturen. En natuurlijk is het hier in de wintermaanden koud, maar snakken wij niet jaarlijks naar een portie sneeuw en de elfstedentocht?

Karaginski-eiland

We varen verder: Ietsje verder noordwaarts toornt het Karaginski-eiland hoog boven de zee uit. Een gigantische, woeste steenklomp. Een gigantische klauterpartij volgt, na de eerste landing op zonovergoten stranden, tegen een steil rechte kust.

Boven aangekomen treffen we een aantal verlaten, instortende barakken, alle inhoud domweg achter gelaten: kisten vol belichte filmrollen, camera's, koffers vol documenten, honderden gasflessen. Wat hier heeft plaatsgevonden weet niemand, maar laat zich raden. Maar duidelijk wordt dat de mens de grootste bedreiging voor deze planeet is. We laten zonder blikken of blozen alles simpelweg achter onze reet liggen als we menen het niet meer nodig te hebben.

Op de terugweg ontdekken we zelfs nog een compleet, kaalgevreten menselijk geraamte. Volgens Leo is dit niet al te lang gelden een nog levende man geweest. Zo te zien geen botten gebroken. Het geraamte ligt op z’n rug in vlak gebied, dus waarschijnlijk ook geen fatale valpartij. Geen sporen van een sleeppartij of een gevecht met een of ander roofdier. Wellicht hier boven, in de bijtende kou, te lang op de uitkijk gestaan, om van het fabuleuze uitzicht te genieten in slaap gevallen en doodgevroren. Botten ogenschijnlijk door kleinere knagers kaal gevreten. Blijkbaar was deze mens nergens meer nodig! Wonderlijk ook, dat niemand deze medemens ooit heeft gemist, heeft willen opsporen! Na een levensgevaarlijke afdaling, meer een glij- en glibberpartij, gaan we weer scheeps en zien bij het vallen van de avond wederom een bloedrode zon ondergaan.

© Wim van Passel

Korjakengebergte

Na weer een dag varen en een rustige nacht onder een schitterende sterrenhemel ontwaren we de volgende ochtend de ongerepte kusten onder het Korjakengebergte. Voordat je de hooglanden zou kunnen bereiken, moet je eerst kilometers heuvelachtig laagland door. De eerste de beste landing en wandeling is al raak: hier zitten beren in overvloed. En wie denkt dat ze hier naar voedsel moeten zoeken, heeft het compleet mis.

Ze gaan gewoon langs de oever van de honderden riviertjes op hun luie reet zitten en pakken, als ze trek hebben, simpelweg de eerste de beste vette zalm die voorbij komt. De rivieren zitten er hier mee verstopt. Het is niet te geloven, maar hier kun je riviertjes oversteken zonder natte voeten te krijgen: de watertjes zitten simpelweg verstopt met vis.

© Wim van Passel

Hoezo voedseltekort op deze planeet ? Waarom denk je dat die Kamtsjatka-beren de allergrootste ter wereld zijn ? Simpelweg omdat er hier zoveel te vreten valt. Te veel mensen op deze planeet en te weinig voedsel: klets! We zijn alleen te beroerd om dat voedsel op niet-commerciële basis eerlijk te verdelen. Er is eten genoeg, aldus al jaren het jaarverslag van de wereld voedsel organisatie.

Ik heb geluk: tussen mij en de beertjes zit constant een riviertje, dus kan ik redelijk veilig m’n werk doen en schiet juweeltjes. Daarnaast; zoals gebruikelijk in de top van de voedselketen gunnen de beren elkaar het licht in elkaars ogen niet en zijn ze doorlopend met elkaar over ruimte en voedsel aan het bakkeleien. Leuk om te zien, maar nauwelijks te begrijpen in zo’n overvloed.

We varen verder, maken tientallen landingen en mijn vooroordelen over Siberië zijn volledig aan het kantelen: wij denken bij Siberië altijd aan een verschrikkelijk koud land vol gevaar, waar je uit weg moet zien te blijven. Landschappelijk bewijst het tegenovergesteld zich hier keer op keer; het is één grote, open, kerngezonde bloementuin.

© Wim van Passel

Ongekende pracht & praal; wederom een golvend landschap vol oogverblindende berkenbosjes, omringd door alle denkbare kleuren bloemen en planten. Het was de mensheid die deze grootste landmassa op aarde zo’n slechte reputatie bezorgde.

Let wel; ik meen dat ons idee over Siberië het gevolg is van menselijk gedrag. Er waren kampen, het staat altijd symbool voor koude, leegte en menselijk lijden. Maar dit is 's werelds grootste ongereptheid op aarde. En dat enkel en alleen omdat er geen mensen wonen: Moskou is zo’n 14.000 kilometer ver weg van hier waar we nu zijn. Gelukkig maar!

Toegegeven: het kan er 's winters behoorlijk koud zijn, maar een paar lekker frisse weken doen wonderen. Alsof het een voorwaarde is geworden, is de avond weer een grote kleurenfilm boven de kust. Elke Siberische nacht lijkt wel een sprookje vol kleur. Maar we moeten verder, verder noordwaarts.

Golf van Anadyr

Na nog talloze landingen en even zovele oogverblindende festijnen komen we in de buurt van de Golf van Anadyr. Hier zal een ander beeld ons netvlies voor eeuwig beschadigen: nadat we een zee vol witgetopte golfjes zijn overgestoken, varen we een wat vreemde baai in. Op de linker oever een grote, verlaten spookstad. Daar tegenover: in de verte de vervallen verkeerstoren van 's werelds meest geheime, nucleaire vliegveld, door de Goelag-slaven van Stalin en consorten gebouwd om op een onverwacht moment Amerika in de houtgreep te kunnen nemen.

Deze enorme stad, aangelegd voor de gezinnen van ruim 30.000 militairen, die op dat vliegveld aan de andere kant van de baai gestationeerd waren, is na het instorten van de Sovjet-Unie verlaten en volledig in verval geraakt. Je weet niet wat je ziet. Het valt simpelweg niet te beschrijven zonder in tranen uit te barsten.

Hemelhoge flatgebouwen waaruit de voormalige kamerplanten door het kapotte glas naar buiten bloeien. Verweerde teksten boven winkels, waar de complete voorgevels uit zijn weggerot. Bebouwing waar je als “passant” een blik op kunt gunnen op al hetgeen er niet meer is. Ooit hebben hier kinderen gespeeld, in onwetendheid gevoetbald. Hier hebben moeders vol trots en in blind vertrouwen voor de toekomst van hun kind, hun kinderwagens geduwd. Jonge vaders hebben hier angst gehad voor hun veel te machtige meerderen.

De wereld is onbegrijpelijk! Ietsje verder staat een halfingestorte kerk. Het heeft niet veel wijsheid mogen brengen. Dit is wat de mensheid in haar waanzin ooit zinloos begon en achter haar verloren kont zinloos weer achter liet. Er waait wat afgevallen blad langs me heen. Een betonnen wereld, gebouwd om geweld te plegen, oorlog te voeren en na het instorten van die Sovjet-Unie, zonder ook maar iets van de werkelijke waarheid onder ogen te zien, weer verlaten. De geschiedenis van de mensheid valt soms moeilijk te begrijpen.

Maar er is ook een lichtpuntje: als je deze spookstad in loopt, via de hoofdstraat, zie je alleen maar afschuwelijk verval. Maar als je dan ten einde raad omkeert, om de stad weer over de zelfde kapotte bestrating te verlaten, zie je aan duizenden kleine grasjes, bloemetjes en plantjes, die uit de scheuren van het kapotte beton omhoog reizen, dat moeder natuur simpelweg terug neemt wat haar ontstolen werd. Hier is geen levende ziel te bekennen.

We klauteren rechts een hoge heuvel op en treffen een jong maar nu al vergeten en vervallen kerkhof. Alles is verrot, verzakt en verroest. Alleen de plastic kunstbloemen lijken eeuwig te blijven bloeien. Providenia: ooit het romantische, oude, afgelegen dorp waar de voormalige poolonderzoekers van vroeg aan hun zware tocht begonnen voor de ontwikkeling van ons ruimtelijk inzicht: de reis naar het grote, onbegrepen ijs.

Als ik over de baai uitkijk, naar het westen, zie ik aan de overzijde dat voormalige vliegveld liggen, zo ver het oog reikt. Daar stonden die ultra geheime bommenwerpers vol Russische kernbommen, klaar om de mensheid en daarmee zichzelf te vernietigen. Als ik over een paar weken weer terug thuis zal zijn, ligt de langgezochte landkaart van dit gebied bij de post. Maar met daarop, meermaals in grote, rode stempels, de waarschuwende tekst: nooit over dit gebied vliegen, want je wordt zonder waarschuwing gelijk de lucht uit geschoten.

Wat doet de mensheid zichzelf toch aan. Na de gestorvenen hun laatste rust te hebben toegewenst, wandelen we weer bedroefd naar beneden. Terug naar het strand, waar Leo met zijn zodiac wacht om ons terug aan boord te brengen. De nacht valt in ongekende, bloedrode tinten. Het bloed van de agressie. Daarna volgt er alleen nog maar een gigantische sterrenhemel, in het allerdiepste diepe zwart.

Walrussen

De volgende dag; een strandwandeling, halverwege Providenia en Egvekinot. In de branding de verse kadavers van gigantische walrussen. De dieren zorgkundig gevild, de ribbenkasten van binnen- en buitenzijde vakkundig leeggehaald. Alleen het vlies tussen de ribben is nog aanwezig, vol gestolde bloedrestanten en door de bittere koude geconserveerd. Het maakt de kadavers tot vreemd-vervuilde, antieke kinderledikantjes. Als ik op m’n buik op het strand ga liggen, lijken het zelfs grote, statige, middeleeuwse galjoenschepen.

Verderop lopen we vast in verraderlijk drijfzand waar we - om beurten - tot aan onze knieën in vast komen te zitten. Uiteindelijk bereiken we de top van de duinwal en vanaf die hoogte zien we de keerzijde; een enorme groep buitensporig grote walrussen. Het zijn er zeker wel tweehonderd. Ze gunnen ons nauwelijks ‘n blik waardig.

© Wim van Passel

Met hun gigantische slagtanden liggen ze tegen elkander aan te schurken en te duwen. Eens in de zoveel tijd komen de Nenets hier naar toe om een paar van die walrussen te grazen nemen, waarna die hele leefgemeenschap weer dagen lang voldoende vet heeft om de tijd door te komen en de walrussen weer voor even veilig zijn.

Dan weer de boot in om, na eerst nog van een paar spuitende walvissen te hebben genoten, een eind verder aan land te gaan voor een bezoek aan een eeuwenoude, “heilige plaats”. In het mistige land staat een onbegrijpelijk bouwwerk van reusachtige walvisribben. Opgericht en smekend de oneindige ruimte in wijzend als wanhopige tentakels van een kansloze levensvorm. De dode botten stralen een bittere sfeer van onsterfelijkheid uit in dit mist gevulde landschap. Daaromheen een duidelijk herkenbare afzetting van rechtop uit de grond stekende botten. Wat ooit de bedoeling is geweest van dit schijnbaar eeuwenoude heiligdom is niemand meer bekend, maar het is er niet minder indrukwekkend door.

Onder aan de kust likken de kalme golfjes traag en tijdloos aan het zand. Maar in mijn hoofd blijft de vraag hameren: wie heeft dit kunstwerk ooit gebouwd? Waarom en wanneer? Volgens mij waren die volkeren die aan deze kuststreken van de noordelijke ijszee woonden en leefden, helemaal geen onderontwikkelde, primitieve volkeren. In tegendeel: als we ooit de moeite hadden genomen serieus naar ze te kijken, hadden we veel van hen kunnen leren. Maar wij waren zo dom niets van ze te willen leren en zie wat daar van gekomen is; we hebben deze mooie planeet inmiddels een heel eind naar de sodomieterij geholpen. Terwijl zij al sinds mensenheugenis wisten dat het veel verstandiger was niets meer te nemen dan de dagelijkse behoefte voor hun levensonderhoud. Wie zijn hier de onderontwikkelden?

Egvekinot

Na weer een dagje westwaarts varen komen we in de haven van Egvekinot, een belangrijke, voormalige haven uit de Goelach-geschiedenis. Hier kwamen Stalins slachtoffers aan wal na hun afschuwelijke zeereis. De grotendeels vervallen kantoren staan er nog en in een is zelfs een soort museumpje ingericht. Foto’s, kleding, beddenzakken vol stroachtige viezigheid, houten, driehoog slaapkisten. We kennen dit verhaal nog van de Nazi’s.

Aan de wand hangt een plattegrond van een van de kampen plus een bouwtekening. Als ik die bouwtekening nauwkeurig bekijk, springen de tranen in mijn ogen: het is een Duitse bouwtekening uit ’42. De Russen hebben bij de bevrijding van de Nazi-kampen de punaises simpelweg uit de muur gehaald, de tekeningen opgerold en hier weer ter herbouw aan de muur geprikt. Soms schaam ik me zo mens te zijn!

Ik word uit m’n verdriet gewekt door de claxon van een auto, die buiten op ons te wachten staat. Een grote, hoge, lompe 6-wiels truc die ons door de wildernis naar de poolcirkel zal rijden. We kruipen onder het zeil, op de houten bank en de vrachtwagen zet zich in beweging. Er ligt hier iets dat nauwelijks een pad te noemen is. We rijden de nederzetting uit, de eenzaamheid in. Al na een paar kilometer doemt langs de kant zo’n voormalig sovjetkamp op.

Fotograferen is ten strengste verboden dus moet ik plots enorm plassen. Maar wel met m’n camera onder m’n dikke jas. Ik zoek een veilige, onzichtbare “plaspositie” en maak een paar opnamen en na beeldcontrole is er geen misverstand meer mogelijk: deze opname zou in 1944 in het oosten van polen gemaakt kunnen zijn. Niet dat ik er écht vrolijk van wordt.

We hobbelen en schudden een halve dag door een ongekend gebied; heel kleurrijke, maar ogenschijnlijk lege berghellingen. Maar als je goed kijkt, zie je de diverse ertssoorten zo naar beneden druipen: ijzererts, koper, tin, nikkel; elk hun eigen kleur en het ligt hier allemaal in overvloed en de Goelag-gevangenen moesten dit materiaal, vaak in lompen en op blote voeten, zien te vergaren ter meerdere eer en glorie van het communistische rijk om met dit werk nog enig bestaansrecht aan dit rijk te verlenen.

Na het middaguur komen we – in the middle of nowhere - bij een groot overwoekerd en onleesbaar bord langs de kant van het pad. Hier kruisen we de poolcirkel. Hierboven blijft in de zomermaanden de zon 's nachts boven de horizon. Dat moet een vervloeking voor die gevangenen zijn geweest: in zo’n wetteloze donkerte zelfs geen momentje duisternis meer mogen hebben. Wat ik al eerder schreef: je hoeft niet alles te snappen in dit leven.

Diep onder de indruk rijden we terug in het schemerlicht. Dit had zo’n mooi gebied kunnen zijn, als wij, mensen...
Dus na de avondmaaltijd maar even terug aan dek. Diep inademend probeer ik de tijdloosheid van de naderende nacht te bevatten. Er zakt wederom een bloedrode ondergaande zon boven 's werelds grootste landmassa. Met wellicht ook een van de meest gruwelijke geschiedenis. De Nazi’s moorden hun slachtoffers meestal direct uit. Hier werden ze heel langzaam afgemaakt. Vanaf de reling zie ik een ongekend mooi en zuiver natuurgebied, dat op een meer dan bestiale wijze door de mensheid misbruik is. Was dat ook een aspect van moeder natuur ? De nacht is stil en ik weet niet meer of ik geslapen heb. Morgen maar verder zien.

Beluga's

De volgende ochtend ontwaken we midden op zee, althans, rondom ons heen liggen ver op de horizon overal reliëfjes die land doen vermoeden. Het omringende water lijkt vol kalme schuimtopjes te zitten, maar als je even de moeite neemt om goed te observeren zien we dat we omringd zijn door honderden beluga’s met hun jongen.

© Wim van Passel

Spectaculair; die sneeuwwitte dieren in het hemelsblauwe water. Als ik vanaf het schip honderden kan zien, moeten er duizenden in deze kraamkamer vertoeven. Na een paar uur varen komt langzaam Anadyr in beeld: de voormalige administratieve “hoofdstad’ van de Goelachkampen. Hier werden de slachtoffers “verdeeld”. Als eerste komt, hoog boven ons, op de steile kust, een schitterende, indrukwekkende, gigantische houten kathedraal in beeld.

We leggen aan tussen enorme vervallen hijskranen, maar eenmaal naar boven geklauterd, treffen we eigenlijk onverwacht een moderne stad, vol jonge mensen met kinderwagens in de koude middagzon. Grote, nieuwe flatgebouwen, met gigantische, moderne muurschilderingen vol moed en stralende toekomst, bevestigen het vermoeden van een levendige, nieuwe stad. Er komt zelfs een tram voorbij, met een vrolijk belletje.

We treffen een open en schoon cafeetje en bestellen een bak koffie alsof we thuis zijn. Een enkeling praat een beetje Engels en met een positieve, hoopvolle, vrolijke klank in z’n stem. Als ik hem geloven mag, is deze stad de nieuwe toekomst van Siberië. Er is werk, een school, een ziekenhuis, jeugdig moeder- en vaderschap. Zelfs een voetbalstadion. Kortom een nieuw begin en hoop voor de toekomst. Ik gun ’t ze van harte.

Jeannette en ik gaan lekker wandelen door het schrale middagzonnetje en lopen naar de zojuist genoemde kathedraal. Het schitterende bouwwerk mag je alleen op eigen risico betreden. Nu heb ik dat altijd al met kerken gevonden: betreden op eigen risico, want het vertrouwen in een god is bij mij inmiddels tot ver onder het vriespunt gedaald. Maar hier ligt een dubbel risico: door de klimaatverandering is de miljoenen jaren oude permafrost onder dit kunstwerk aan het ontdooien en zakt het prachtige bouwwerk met het goede oude geloof langzaam de modder in. Hoe symbolisch!

Maar wel onvoorstelbaar jammer (voor dit oogverblindende bouwwerk dus). Voor het altaar staat een zoon van God. Gehuld in een zwarte nonnenjurk en een stuk kachelpijp op zijn hoofd kan zelfs zijn persoonlijke relatie met de hemel dit schitterende bouwwerk jammer genoeg niet redden. Maar het ziet er niet naar uit dat dit falen aan zijn zelfvertrouwen heeft geknabbeld. Betweterigheid ten top!

Terug aan boord klim ik naar de zijkanten van de brug en krijg een mooi overzicht van het geheel: een voormalige, vervallen haven vol oude kranen en hallen en schepen. Maar ietsje verder staan duizenden militaire voertuigen, pantserwagen en tanks tot aan hun midden in de modder weg te zinken. Ook dit is het gevolg van het onverwachte ontdooien van de ondergrond. Als ik terug keer met m’n telelens word ik door de stuurman op m’n vingers getikt: geen opnamen! Hier staat ongestraft voor miljarden bevolkingskapitaal weg te roesten. Domweg te verdwijnen in de modder.

De volgende ochtend vroeg uit de veren: aan dek zien we dat we de baai alweer bijna uit zijn en we vervolgens weer noordwaarts varen, richting de open Beringstraat. Het is rustig weer en we zien de walvissen met tientallen, de orka’s met honderden en de zeevogels met duizenden van hun vrijheid genieten. Hier bedreigt alleen de mensheid zichzelf met uitsterven; de rest leeft ogenschijnlijk ongestoord verder.

© Wim van Passel

Nét voor de bocht naar het noordoosten liggen een aantal scheepswrakken half boven water samen geveegd. Zouden het allemaal Goelag- transportschepen zijn, met hun honderden slaven aan boord, die hier verongelukt zijn? Duizenden vogels hebben deze bizarre restanten tot nestplaats verkozen. Tegen de avond bereiken we Kaap Dezjnjov; de plaats waar de voormalige Beringbrug zo’n tienduizend jaar geleden in zee stortte. Nét nadat al die landverhuizers vanuit Mongolië naar Alaska waren overgestoken, om als Indianen en Inuit aan de overkant van de plas een nieuw leven op te gaan bouwen.

Aan de kleur en de scherpte van de breukvlakken in het gesteente kun je nog duidelijk zien dat de breuk - in de eeuwigheid gezien - heel recent is. Prachtige kleuren in het honderd meter hoge gesteente.

Na de nachtrust vinden we een “te riskeren” landingsplek tussen alle gestrande ijsbergen en zoeken een pad naar boven. Levensgevaarlijk, maar waar een wil is, is een weg. Boven overzien we niet alleen die Beringstraat, maar ook dat wonderlijke gedrag van onze Sovjet-soort-genoten: hier boven staat een soort huis; vervallen en open. Daarnaast een soort kapelletje en, vanzelfsprekend, een groot stenen beeld van een of andere Russische tsaar. God mag weten wie, god mag weten hoe, maar ze hebben dit gevaarte naar boven gekregen en god mag ook nog weten waarom Stalin dat beeld niet naar beneden heeft laten flikkeren.

Maar dat beeld staat er en kijkt met me mee over die veelbewogen Beringstraat. Ietsje verder een vuurtoren. Een vuurtoren? Elektrisch? Terwijl de dichtstbijzijnde woonwereld een paar duizend kilometer eenzaamheid verder is? Nieuwsgierig als altijd, volgen Jeannette en ik de op de grond gelegen elektriciteitskabel, totdat we een paar honderd meter verder landinwaarts, een soort uit de kluiten gewassen olievat zien staan. Half verroest als het is, zien we pas op armlengte de stickers: wegblijven: radioactief. Hier staat gewoon een kleine kernreactor te wachten totdat hij helemaal is doorgeroest en de tijd hem uit elkaar laat vallen. Laat maar zitten dus!

We voelen plots overal jeuk en brand en snel keren we terug en gaan de openstaande deuren van het huis en het kapelletje binnen. In het huis: een tafel met een gebroken poot, omgevallen stoelen en allerlei huishoudelijke rotzooi over de vloer. In het kerkje niet veel anders: de tijd heeft ook hier god van z’n voetstuk laten vallen en het zo goed als naakte, onthoofde lichaam van christus ligt hier met gespreide armen wijd open kou te vatten. Het hoofd heeft veel weg van een Indiase fakir; zo ondersteboven op z’n doornenkroon staand. Vroeg of laat vallen al die religies weer samen.

We blijven nog lang van het oogverblindende uitzicht genieten, in de tussentijd wordt onze rustplaats als met een potlood op papier door honderden meeuwen omcirkeld: dit is het einde van Europa. Hier begint dag na dag de nieuwe kloktijd. Verstijfd van de kou klauteren we de levensgevaarlijke weg naar beneden, en scharrelen tussen de ijsblokken op het smalle strand naar onze zodiac. Terug naar het schip, op naar de volgende indrukwekkende indruk. Maar eerst meer eens even goed slapen.

Nenetsen

De volgende ochtend zijn we het hoekje van noordoost Eurazië omgevaren en bereiden we ons voor op een nieuwe landing bij een nederzetting van de Nenetsen. Wederom een totaal vervalen maar zeker niet verlaten woonoord. De vriendelijke, gastvrije bevolking heeft een grootste ontvangst voor ons in petto, want zo vaak zullen ze hier geen bezoek krijgen. Vrolijke feestkleding en muziek en dansen. Jong en oud. Ogenschijnlijk ongecultiveerde blijdschap en warme welkoms sfeer omringen ons, maar er is nog iets.

Zonder ook maar een vleugje deskundigheid te pretenderen, kun je zien dat een significant deel van de bevolking iets “down”erigs” heeft. Iets van onmiskenbare inteelt. Het merendeel van de kinderen achter dikke brillenglazen. Niet droevig, maar wel significant. We hoeven er niet naar te vragen; het antwoord komt van zelf: vroeger leefde deze nomadische “Matres Familie”- bestuurde volkeren langs de vrije kusten van de noordelijke ijszee gewoon hun eigen leventje. En om inteelt te voorkomen werden er jaarlijkse jaarmarkten georganiseerd, niet alleen om hun rendieren en huiden te verhandelen, maar veel meer nog om de vruchtbare bruiden uit te wisselen en zo inteelt buiten spel te zetten.

Maar toen kwam Stalin aan de macht en hij vond dat die primitieve volkeren maar eens uitgemoord moesten worden (Hitler en consorten waren dus niet uniek met hun bizarre denkbeelden). Maar het waren allemaal nomadische volkeren, altijd onderweg. Dus zodra een militaire moordactie op pad werk gestuurd, bleken bij aankomst van die moordenaars de slachtoffers met hun rendierkuddes al weer mijlen verder in de sneeuwvelden te zitten.

Behalve... als er een jaarmarkt georganiseerd werd en de datum tijdig verraden werd. Dus: geen jaarmarkten meer en geen bruidjes meer ruilen en de gevolgen daarvan zijn nog steeds te zien, zowel bij die Nenets, de Tjoektjen, de Sami en Pomori etc.

We worden meegenomen naar een zaal waar een paar oeroude beensnijders, in navolging van hun eeuwenoude traditie, hun schitterende kunstwerkjes zitten te snijden uit walrustand en andere botten. Maar we kunnen niets kopen omdat de Opper-Stuart de geheel collectie al in één keer heeft opgekocht. Voor een prikkie horen we later. om mee te nemen naar Moskou, voor de verkoop daar. Je hoeft niet alles te snappen zeiden we net al.

Na een vrolijke kennismaking en een onvergetelijke ontvangst wandelen we nog even door het dorp. Overal blijde mensen in bittere armoede. Overal tussen in de modder wegzakkend rupswagens, wapentuig en vervallen gebouwtjes. Dit is het uiterste puntje van ons schatrijke Eurazië. Straat- en straatarm, maar zichtbaar gelukkiger met hun leventje in de bittere koude.

Wrangel

Een beetje stil kruipen we in onze zodiac voor de terugweg naar ons schip. Hoe noordelijker we komen, hoe minder de zon zin heeft om onder te gaan, maar haar kleuren zijn ongekend. Na nog eens twee dagen varen komt dan eindelijk Wrangel in zicht: de kraamkamer van de laatste ijsberen. Maar ook: waarschijnlijk de laatste vluchtplaats van de mammoet. Ondanks de bescheiden bejaging door de “sapies” stieren hier waarschijnlijk de laatste exemplaren uit, want al vingen die voorouders er wellicht slechts 3 of 4 exemplaren om in hun eiwitbehoefte te voorzien; de voortplanting van deze dieren verliet zo traag en de zorg voor de borelingen duurde zo lang dat pro ratio hun aantal snel afliep. De “modus operandi” van de toenmalige mens bracht dit probleem onontkoombaar met zich mee.

Maar er is nog iets opmerkelijks: hier is een volledig intacte, kleine mammoet in het ijs gevonden. Bij onderzoek bleek het geen “kindje” te zijn, maar een volwassen exemplaar, dat door de vermindering van het voedselaanbod gewoon door de eeuwen heen naar een kleiner exemplaar bleek te zijn geëvolueerd. Dieren werden immers alleen zo groot als er voldoende voedsel beschikbaar was en het lag dus voor de hand dat de evolutie ook een “omgekeerde richting” kennen zou.
Daags voor we uit Nederland vertrokken gaf de ijskaart aan dat Wrangel waarschijnlijk onbereikbaar zou zijn vanwege de ijsgang.

Nu was het, gezien de tijd van het jaar en de locatie, stralend weer. Knalblauwe lucht en geen wolkje tot aan de horizon. In de vroege ochtend van de nieuwe dag lag ons eilandje er aan de zuidzijde dan ook uitnodigend bij. Maar de waarheid bleek minder rooskleurig: bij de eerste de beste landing troffen we een uitermate gestreste anorexia-ijsbeer-moeder met haar uitgehongerd jong.

Geen ijs betekent geen zeehonden: betekent geen ijsbeer-take-away. Moeder sloeg in de spattende modder op de vlucht, haar jong op de laatste krachten hulpeloos achter haar aan. Volgende landing op de steppe; een gigantische sneeuwuil in beeld. Ik op m’n buik in de modder en beetje bij beetje langzaam dichterbij. Totdat? Totdat een hulpvaardige medereiziger plots knoerthard tegen me begint te schreeuwen: Wim; look over there ! A snow-owl! Dag sneeuwuiltje!

De volgende dag diep landinwaarts, naar iets bijzonders: door het dooien van de permafrost was een diep onder het oppervlak gelegen loog-laag aan het ontdooien en daardoor was het boven gelegen meertje en afvoerriviertje vol met dat dikke, witte loog aan het lopen.

© Wim van Passel

Een bizar en nachtmerrieachtig landschap. Alles in de kaalgebrande omgeving was wit uitgeslagen en de oevers lagen vol uitgeteerde dierrestanten. En meerdere berenskeletten. Dit was er dus nog over van die beroemde “kraamkamer”! Maar het was desondanks een bijzondere dag daar, op die verlate heuvels en steppes. Tussen tientallen rendiergeweien en vloer vol prachtige mosjes, onder een dak van ongekende mooie, ronde, boven elkaar opgestapelde pannedekselwolken in een verder staalblauwe lucht.

© Wim van Passel

De dag erna, om het gehele eiland te “ronden”, via de westkust naar de noordzijde. Aan deze kant is het eiland aanzienlijk hoger en rotsiger. Maar ook hier nauwelijks beren te vinden en als we er al een mochten zien van veraf, waren ze brood en brood mager en bang.

Maar toch een mooie dag, mooi licht, mooi eiland vol mooie vogels. We klimmen de bergen op, heel hoog en heel stijl en levensgevaarlijk. Vanaf boven krijgen we een oogverblindend uitzicht als beloning. Heel in de verte heb je in het noordoosten het vermoeden van pakijs. In het zuiden het vage silhouet van de kust van Eurazië. Na nog een paar gevaarlijke stappen verder zien we beneden, in een soort kustkloof, honderden walrussen. Jong en oud gezellig tegen elkaar schurkend op het keienstrand van de kust. Daar boven: duizenden papegaaiduikers op de kleine rotsrichels. 

De volgende dag was het weer omgeslagen en een strakke wind zwiepte over het dek. Jeannette en ik besloten, om onbekende voorgevoelens, eens niet mee aan wal te gaan. Toeval bestaat niet: door de zware wind, steigerde de zodiac tijdens de landing en verloren bijna alle onderzoekers hun camera’s, mobieltjes en wat nog meer aan kostbaarheden in het kolkende water verloren kan gaan. Voor meerderen aan boord een heel bittere ervaring, omdat met hun camera’s ook de chips met alle voorgaande beelden verdronken. En wij maar lekker warm en droog aan boord gebleven. Je moet nu eenmaal een beetje geluk hebben in dit leven.

Maar onze expeditie liep ten einde. Dit was dus dat “veelbelovende” Wrangel. Een dikke tegenvaller? Zeer zeker niet qua beeld, wellicht qua impact: want waar was dat beruchte ijs gebleven? Waar lagen de verse robben te wachten op hun hongerige beertjes? En waar waren die ijsberen zelf, die hier sinds mensenheugenis collectief met hun jongen aan de wandel zouden moeten zijn? Het hele eiland was door de klimaatverandering én aan het verzakken (we zagen tientallen landverschuivingen en diepe instortingen vol giftige natuur) én dat al duizenden jaren omringende ijs aan het verliezen door de opwarming. Maar het was nog steeds de moeite waard en onbetaalbaar om gezien te mogen hebben.

Zoals zo vaak tegenwoordig in poolgebieden: je ziet in eerste instantie een nog steeds schitterend landschap, maar kijk je even verder dan je neus lang is, dan zie je de teloorgang als gevolg van ons menselijk falen. Wat is hier over 25 jaar nog van over? Dit was ooit hét door ijs onbereikbare eiland van de beroemde oostelijke poolreizigers. Nu? niets meer dan een paar stenen, met tegenzin boven het lauwe water van de noordelijke ijszee uitstekend. Goed; de stranden liggen hier nog niet vol plastic, maar voor hoe lang nog?

We voeren in zwaar weer en bedrukte stemming terug. Maar na een dag schommelen liet de zon zich weer zien en ik kan me nog herinneren dat ik nog een middag met ontbloot bovenlijf in het zonnetje op het dek naar misschien wel tien rondom mij heen spuitende walvissen zat te kijken. Moeder natuur zit vol verrassingen.

Terug in Anadyr; naar het vliegveld; vertrek 's middags om 3 uur. Aankomst in Londen: 's avonds om 7 uur, om met onze kinderen ons trouwfeest in het Lake District te gaan vieren. We waren, na een lange dag vliegen, volgens de klok in 4 uur de halve wereld rond gevlogen: van de achterkant van onze planeet naar Londen. Moeder natuur heeft geen horloge nodig. Dit was niet alleen een unieke en uitermate mooie expeditie, maar minstens ook een heel leerzame. Want als jij alles snapt, wat we gezien hebben, snap ik ’t ook. Want je maakt wat mee op je ouwe dag.

Afbeelding van Wim van Passel
Geschreven door
Wim van Passel
Onontdekte plekjes en leuke aanbiedingen voor overnachtingen en vakanties in de natuur!